Agenda en uitgaanstips

 

 

 


Lees verder...

Spelen - Jouer




 

 

 

Infinitief L'infinitif
te spelen jouer
   
Tegenwoordige tijd Le présent
ik speel je joue
jij speelt tu joues
hij / zij / het speelt il / elle joue
wij spelen nous jouons
jullie spelen vous jouez
zij spelen ils / elles jouent
   
Verleden tijd Le passé
Onvoltooid verleden tijd Le passé simple
ik speelde je jouais
jij speelde tu jouais
hij / zij / het speelde il / elle jouait
wij speelden nous jouions
jullie speelden vous jouiez
zij speelden ils / elles jouaient
   
Voltooid tegenwoordige tijd Le passé composé
ik heb gespeeld j'ai joué

 

 








Citaat van de dag

"Iedere taal geeft een unieke kijk op het leven.
Chaque langue voit le monde d'une manière différente. "
- Federico Fellini -
(1920-1993)

Advertenties

Uw link op deze pagina?

Cursussen Frans
Volledige zelfstudie

 

Cursussen Frans
Zelfstudie met begeleiding

NHA
- Levend Frans voor beginners
- Levend Frans voor gevorderden
- Zakelijke correspondentie Frans