Agenda en uitgaanstips


Lees verder...

Spreken - Parler




 

 

 

Infinitief L'infinitif
te spreken parler
   
Tegenwoordige tijd Le présent
ik spreek je parle
jij spreekt tu parles
hij / zij / het spreekt il / elle parle
wij spreken nous parlons
jullie spreken vous parlez
zij spreken ils / elles parlent
   
Verleden tijd Le passé
Onvoltooid verleden tijd Le passé simple
ik sprak je parlais
jij sprak tu parlais
hij / zij / het sprak il / elle parlait
wij spraken nous parlions
jullie spraken vous parliez
zij spraken ils / elles parlaient
   
Voltooid tegenwoordige tijd Le passé composé
ik heb gesproken j'ai parlé

 

 








Citaat van de dag

"Wijsheid begint bij twijfel.
Le doute est l’origine du savoir. "
- René Descartes -
(1596-1650)