Agenda en uitgaanstips


Lees verder...

Rijden - Conduire



 

 

 

Infinitief L'infinitif
te rijden conduire
   
Tegenwoordige tijd Le présent
ik rijd je conduis
jij rijdt tu conduis
hij / zij / het rijdt il / elle conduit
wij rijden nous conduisons
jullie rijden vous conduisez
zij rijden ils / elles conduisent
   
Verleden tijd Le passé
Onvoltooid verleden tijd Le passé simple
ik reed je conduisais
jij reed tu conduisais
hij / zij / het reed il / elle conduisait
wij reden nous conduisions
jullie reden vous conduisiez
zij reden ils / elles conduisaient
   
Voltooid tegenwoordige tijd Le passé composé
ik heb gereden j'ai conduit

 

 

 

 








Citaat van de dag

"Het leven is als een doosje bonbons: je weet nooit wat je nu weer gaat krijgen.
la vie, c'est comme une boîte de chocolat : on ne sait jamais sur quoi on va tomber. "
- Winston Groom -
(1944)